Ringslang

Vorige Omhoog Volgende

DE RINGSLANG

Naar alle waarschijnlijkheid zijn Ringslangen in Vlaanderen altijd al (erg) zeldzaam geweest. Op een uitzondering na (uitgezette exemplaren in ‘De Zegge’ in Geel) komen er wellicht geen Ringslangen (meer) voor in Vlaanderen. In Wallonië leven ze wel, met name ten zuiden van Samber en Maas.  

Zijn het enge beesten? Nee, ze zijn een beetje zoals wij.  Ze zonnen graag aan de waterkant en zoeken daarvoor een plaatsje met zoveel mogelijk soortgenoten uit.

Als koudbloedige dieren zijn ze afhankelijk van hun omgevingstemperatuur.  “Koelbloedig” is misschien een wat misleidende term.  Hun eigen temperatuur varieert wel met die van de omgeving, maar kent een minimum en een maximum.  Hoe warmer hoe actiever, maar op het heetst van de dag zal je niet  in de zon zien liggen. Een ringslang is vaak bijzonder gehecht aan één plekje.  Als we dit favoriete zonneplaatsje het volgende jaar weer opzoeken zullen we vaak dezelfde slang weer aantreffen ( te herkennen aan het zwarte vlekkenpatroon dat bij iedere slang anders is, net zoals bij ons mensen de vingerafdrukken).

De ringslang (Natrix natrix) heeft een lengte van 55 - 100 cm. Ze is duidelijk herkenbaar aan haar gele en zwarte vlekken achter de kop, de ringen. Ze is niet giftig. (De adder, met de V op de kop, daarentegen is wel giftig.)
De ringslang houdt, evenals de andere slangen, een winterslaap.
Wanneer de slang met haar winterslaap begint hangt af de temperatuur, maar normaal is dit ongeveer rond half oktober en duurt hij tot eind maart/begin april. In het voorjaar, kort na hun winterslaap, begint de paartijd die enkele weken kan duren. Eind juni en juli worden de eieren (ca. 30 stuks) gelegd, waaruit in augustus en september de jongen kruipen. De eieren worden in een "broeihoop" van organisch materiaal (bijv. een mesthoop of een hoop rottende bladeren) gelegd. Een constante temperatuur van 25 - 30 OC en een hoge luchtvochtigheid zijn essentieel om de eieren te laten uitkomen. De broedplaatsen worden soms jaren achtereen gebruikt. Het is ook niet ongewoon dat meerdere vrouwtjes hun eieren afzetten in één en dezelfde "gunstige" broedplaats.

Biotoop
Het voedsel van de ringslang bestaat voornamelijk uit kikkers, watersalamanders en kleine visjes. Ze leven dan ook voornamelijk in een vochtig biotoop, langs heggen en in open, deels bebost agrarisch gebied. De ringslang moet het voornamelijk hebben van kleinschalige overgangstructuren, van dichte naar open vegetatie, van zonnig naar beschaduwde plekjes, poelen, slootjes en voldoende schuilplaatsen.

Een ringslang achter een regenton
lag vergeefs te wachten op julizon.
Want ma had gezegd
maar ’t was onterecht –
Dat die zeer veel warmte geven kon.

  Gepubliceerd: Info Maarkedal 07/2001