Zin en onzin over de vos

Vorige Omhoog Volgende

 

Zin en onzin over de vos

 

Er zijn vermoedelijk weinig dieren in Vlaanderen die zo regelmatig de pers halen als de vos. Was de soort vanouds reeds in het geheugen gegrift als een icoon – de Reynaert-figuur, sinds haar terugkeer in geheel Vlaanderen blijkt zij hedendaags nog steeds de gemoederen telkens weer beroeren. De aanleiding daartoe kan divers zijn, vaak gaat het om meerdere aspecten tegelijk. Ofwel is ergens een zoveelste kippenhok geplunderd, klaagt men over de teruglopende wildstand, of wordt gewaarschuwd voor dodelijke ziektes. Een enkele keer klinkt ook bezorgdheid vanuit de hoek van het natuurbehoud, waar het ten prooi vallen van zeldzame en gekoesterde soorten als weidevogels met gemengde gevoelens wordt onthaald. 

Over vossen valt dus wel een en ander te duiden – veel te veel om in een beknopt artikeltje aan bod te laten komen op een manier dat eenieder de volledige analyse en synthese ‘gaandeweg kan volgen’. Hierna volgt dan ook slechts een bloemlezing van de meest actuele aspecten, en hoe die in het ruimere verhaal passen. 

Sinds het begin van de jaren ’90 komt de vos opnieuw in gans Vlaanderen voor. Voorheen ontbrak de soort nagenoeg volledig in West- en Oost-Vlaanderen en in grote delen van Vlaams Brabant en Antwerpen. De rekolonisatie was op gang gekomen in de tweede helft van de jaren ’80, en bleef aanvankelijk – logisch en typisch – goeddeels onopgemerkt. Eens hier en daar voet aan de grond, ging het evenwel – evenzeer logisch en typisch – behoorlijk snel. Vossen zijn immers vruchtbare dieren, en kunnen zich gemakkelijk over grote afstanden verplaatsen. Deze rekolonisatiegolf was geen Vlaams fenomeen, maar een internationaal vastgestelde trend in gans West-Europa. Deze trend werd gestuurd door een combinatie van factoren, waarbij het verdwijnen van hondsdolheid mee een rol in speelde. Waar vossen voorheen reeds voorkwamen, nam hun dichtheid toe ; waar de soort ontbrak, breidde het verspreidingsareaal uit. Daarmee kwam ook een einde aan de ‘onnatuurlijke situatie’ van afwezigheid van de vos, daar waar hij eerder door de mens was uitgeroeid geraakt. In ‘westelijk’ Vlaanderen vond deze uitroeiing reeds plaats in de eerste helft van de 19° eeuw. In deze periode vonden immers grootschalige ontbossingen plaats, waardoor een soort als de vos ook zeer ‘kwetsbaar’ werd in een tijd dat alle denkbare middelen konden worden ingezet om een ‘schadelijk dier’ klein te krijgen.

De rekolonisatie van de vos in Vlaanderen heeft dus absoluut niks vandoen met de – tot op vandaag – telkens weer in kranten e.d. vooropgestelde ‘massale uitzettingen’. Anekdotische gevallen van een enkele tamme vos, gehouden als huisdier of om jachthonden op te trainen, of bv. van te koop aangeboden of gerevalideerde en verplaatste dieren, zijn van alle tijden, en maken de zaak niet. Sensationele verhalen, zoals over het vervoeren van levende vossen door drugsmokkelaars om drughonden te misleiden, en uitgesponnen theorieën, zoals over gedumpte overschot-dieren uit kwekerijen, gaan simpelweg voorbij aan de realiteit.

Niet de aanwezigheid van de vos is een ‘onnatuurlijke zaak’, zijn decennialange afwezigheid was dat. Dit gegeven is op zich een essentieel element ten aanzien van het omgaan om de ‘problemen’ die de vos kan veroorzaken. Zo zal het voor iemand wiens kippen gepakt worden, een groot verschil zijn wanneer hij weet dat dit ‘deel uitmaakt van de natuur’ (zoals nat worden als het regent), dan wel overtuigd is dat dit gebeurt door toedoen van iemand anders, namelijk diegene die de vossen zouden hebben uitgezet (alsof iemand ergens een waterkanon bedient...).

 Wat de kleinveeproblematiek betreft, hebben we in Vlaanderen met een grondig verschillende situatie te maken in vergelijking met onze buurlanden. Anders dan in de buurlanden, waar de menselijke bewoning geconcentreerd is in dorpen en steden, wordt Vlaanderen gekenmerkt door een eindeloze lintbebouwing en verspreide landelijke bebouwing. Het scheiden van het leefgebied van mensen (kippenhouders) en vossen is daardoor totaal onmogelijk – de overlap is maximaal. Kleinvee houden zonder de nodige afschermingmaatregelen tegen de vos te nemen, is vragen om problemen. Het is daarbij absoluut geen zaak van ‘te veel’ vossen, maar simpelweg van aanwezigheid dan wel afwezigheid van de vos. Vossen zijn immers strikt territoriale dieren, die niet in groep leven. Anders dan bv. bij wilde konijnen, waar het wel een verschil zal uitmaken of ergens 20 dan wel 200 konijnen op eenzelfde veld komen eten, is het aantal vossen per territorium steeds vanzelf begrensd tot enkele dieren. Concreet gaat het daarbij om een dominant koppel, eventueel één of twee niet-dominante wijfjes, en tijdelijk één nest eerstejaarsdieren, en dit op een oppervlakte van enkele vierkante kilometer. Men mag er van uitgaan dat elk Vlaams kippenhok in een vossenterritorium gelegen is – maar dan ook slechts in één tegelijk. Wil men schade vermijden, dan zijn er slechts twee mogelijkheden : de vos verhinderen aan de kippen te komen, dan wel de vos te verwijderen. Wegens zijn uitgesproken ‘opportunistisch gedrag’ – de weg van de minste inspanning of van het hoogste rendement – zal immers iedere vos toch die makkelijke kip vangen als hem daartoe de kans zomaar geboden wordt. Opteert men daarentegen om vossenschade te voorkomen door territoria permanent leeg te maken (voor zover mogelijk met ‘aanvaardbare’ middelen), dan zal men gewoon de vos opnieuw uitroeien. De gelijkheid van alle burgers (kippenhouders) maakt immers dat eenieder dan dezelfde maatregel kan eisen, en dus alle territoria leeggemaakt worden. Men zal in Vlaanderen heel ver moeten zoeken om vossenterritoria te vinden waarin niet ook minstens één kippenhouder woont.

In deze context past het ook even stil te staan bij het begrip ‘plaag’, zoals dit zo vaak in krantenberichten e.d. wordt gebruikt. Het gaat dan meestal om een lokale opstoot van klachten, omdat kennelijk een vos in een bepaalde buurt ‘lelijk huishoudt’. Inderdaad : ook in het geval dat één (1 dus) vos regelmatig ergens kippen gaat roven, zal men dit lokaal als een ‘plaag’ ervaren. Het gaat echter geenszins om een plaag zoals in de juiste betekenis van het woord, namelijk (uitzonderlijk) grote aantallen op eenzelfde plaats. Neen dus, het gaat om aanwezigheid dan wel afwezigheid : één dier is ‘voldoende’. 

Vanuit die analyse is het dan ook totaal zinloos de kippenproblematiek telkens weer breed uit te smeren in de media, of bv. meldpunten voor schade in te stellen. Hierdoor wordt immers telkens weer de (valse) verwachting gewekt, dat ‘de overheid’ te langen laatste wel zal inzien dat er een ander vossenbeleid nodig is. Of vraagt men werkelijk om de vos opnieuw uit te roeien ?

Er zijn natuurlijk ook wel andere verklaringen waarom diezelfde roep telkens weer in de pers aan bod komt. Een gebrekkige of foutieve kennis van de populatie-ecologie van de vos is ongetwijfeld vaak aan de orde bij de goedmenende burger. Daarbij is het ook jammer, dat telkens weer deze foutieve of gebrekkige kennis, bewust of onbewust, actief wordt naar voor geschoven door hen die de vos om een andere reden niet goed gezind zijn.

 Zo is de vos ontegensprekelijk een concurrent voor de jager. Beiden maken immers aanspraak op het ‘oogstbare overschot’ aan sommige jachtwildsoorten. Dit overschot ontstaat jaarlijks in de loop van het lente- en zomerhalfjaar als resultaat van de voorplanting van dieren. Terwijl de jager moet wachten tot het najaar om op jacht te gaan, is de vos als jager-zonder-jachtvergunning wel reeds maanden eerder begonnen. Dit maakt dan ook dat mét vossen het oogstbare overschot aan jachtwild in het najaar best mogelijk reeds kleiner zal zijn dan zonder vossen.

Bovendien wordt door jagers gevreesd dat de vos niet alleen aanspraak maakt op dit seizoenale surplus in de wildpopulaties, maar dat hij deze populaties in die mate zou aantasten dat de prooisoort achteruitgaat of zelfs verdwijnt. Ook in natuurbehoudskringen wordt hiervoor soms gevreesd, zoals bv. de jarenlange maatschappelijke en wetenschappelijke discussies in Nederland met betrekking tot de grondbroedende weidevogels illustreren. Om aan deze onduidelijkheid tegemoet te komen, werd door de Nederlandse overheid de opdracht gegeven voor een vijfjaarlijkse studie, met inzet van vele tientallen medewerkers en hoogtechnologische apparatuur (radio-telemetrie om dieren met zendertjes te kunnen volgen, camerabewaking op nesten, temperatuursondes in nesten,...). Deze ‘moeder-van-alle-predatiestudies’, afgerond in 2006, pleitte de vos evenwel vrij van de beschuldiging van grote boosdoener – de vos is slechts één van de vele factoren in het verhaal van succes of achteruitgaan van een prooisoort. Zijn rol daarin zal slechts in uitzonderlijke gevallen van die aard zijn, dat ingrijpen gemotiveerd kan worden. In gebieden waar men resoluut de kaart van weidevogels trekt (bv. om reden van internationaal belangrijke aantallen) wordt soms overwogen over te gaan tot algemene predatorbeperking – dus niet alleen de vos. Essentieel daarbij is wel dat het dan gaat om gebieden zo groot als een halve of hele provincie, en zeker niet om een mozaïekpatroon waarbij vleksgewijs een wisselend beheer zou toegepast worden. Je kan nu eenmaal niet zinvol weidevogels gaan behoeden in een gevarieerd (bos-)landschap, zoals we dat in Vlaanderen nagenoeg overal hebben.

In deze discussie wordt vaak ook het argument aangevoerd dat de vos wel moét bejaagd worden, gezien hij in onze contreien zelf geen natuurlijke vijanden – wolf, arend, beer,… – meer heeft. Dit is echter een fundamenteel verkeerde opvatting. Het klassieke beeld van de algemeen bekende voedselpiramide is in dit verband zeer illustratief en ook juist : de roofdieren staan aan de top van deze piramide, een top is een top, daar staat niks boven. Of welk dier zou anders de wolf dienen kort te houden ? De weerwolf ? In werkelijkheid gaan roofdieren gewoon zelf hun aantallen op een niveau handhaven dat overeenkomt met de draagkracht van hun leefgebied, in het bijzonder met het voedselaanbod. Territoriale roofdieren , zoals de vos, gaan precies daartoe een eigen leefgebied afbakenen en hardnekkig tegen soortgenoten verdedigen. Voortplanting en overleving van jongen wordt voortdurend teruggekoppeld met de bestaande toestand, zowel op het vlak van de reeds aanwezige dieren als van het voedselaanbod.

De huidige bejaging, waarbij gemiddeld genomen de jaarlijkse aanwas telkens weer tijdens herfst en winter wordt weggemaaid, bewerkstelligt noch min noch meer een voortdurend aanzwengelen van de voortplanting. Snoei geeft inderdaad ook hier bloei. In het permanent Vlaams referentie- en onderzoeksgebied van het INBO, gelegen in de Vlaamse Ardennen en met een oppervlakte van 100 km², blijkt het jaarlijks aantal succesvolle vossennesten niet af te nemen, wel integendeel, en dit ondanks de jaarlijks stijgende afschotcijfers. Tegelijk stellen we vast dat ca. 70% van de vossen niet één jaar oud wordt, en nauwelijks 10% ouder wordt dan 2 jaar – en dit terwijl de fysieke levensverwachting van de vos wel 10 jaar is. Door deze herhaaldelijke jachtingreep wordt de vospopulatie voortdurend in een fase van hoge aangroeisnelheid gehouden, waardoor de populatie de kans niet krijgt een normale leeftijdspiramide op te bouwen en de gemiddelde leeftijd zeer laag blijft. Met een jaarlijks afschot van ca. 1 vos per vierkante kilometer slaagt de herfst- en winterbejaging er ongetwijfeld wel in het aantal vossen, dat overleeft tot het voorjaar, drastisch naar beneden te halen, maar niet het aantal succesvolle nesten – wel integendeel : dit neemt toe.

 Het ironische van de zaak is nu dat de grootste problemen precies gekoppeld zijn aan de voortplanting van de vos. Precies in de periode dat de vos een nest hongerige welpen moet grootbrengen, worden de meeste kippen, als zeer rendabele prooien, gepakt. Precies in diezelfde periode wordt ook het potentieel oogstbare overschot van de jachtwildsoorten het meest aangesproken, en een eventuele zeldzame grondbroedende vogel van het nest geplukt. Precies ook door de continue snelle generatiewissel in de vossenpopulatie, krijgt deze de kans niet een zekere immuniteit op te bouwen tegen een mogelijke besmetting met de voor mensen uiterst gevaarlijke vossenlintworm.

 Het is duidelijk, dat de najaars- en winterjacht nu reeds op maximale kracht wordt uitgeoefend, maar er niet in slaagt de voortplantingsrespons te doorbreken, wel integendeel : deze wordt aangezwengeld. De enige efficiënte techniek om een vossenpopulatie drastisch te doen afnemen, bestaat in het ingrijpen in de (prille) burchtfase, d.i. wanneer de jongen geboren worden. Omdat drachtige moeren reeds vanaf januari bijna continu in hun hol verblijven, zijn deze voor reguliere bejaging echter onbereikbaar. Ingrijpen in deze fase kan daarom enkel via de zogenaamde burchtbejaging, waarbij met behulp van getrainde honden de nesten helemaal (moeder en alle jongen) opgeruimd worden. Burchtbejaging behoort evenwel niet meer tot de wettelijk toegelaten jachtwijzen, en dit om een meerdere redenen. Vanuit de weidelijke jacht zelf wordt sterk voorbehoud gemaakt om een (weerloos) dier te doden, op het moment dat het met jongen zit. Om reden van het feit dat vos en das – een beschermde soort – vaak eenzelfde burcht gebruiken of delen, is het verboden deze schuilplaatsen opzettelijk te verstoren. Verder, en vooral, is er ook het potentiële risico van besmetting met de vossenlintworm. Burchtbejaging is immers precies een handeling waarbij men op één van de meest intensieve wijzen in contact kan komen met de microscopisch kleine eitjes van deze parasiet. 

Het alternatief bestaat erin de jacht op de vos zeer sterk te beperken, waarbij zich een normale leeftijdspiramide kan instellen. Het aantal volwassen dieren, dit is de vroege voorjaarsstand, zal daardoor een tijdlang toenemen (van momenteel laag tot ‘normaal’), maar niet het aantal nesten – wel integendeel : dit zal afnemen.

 

Koen Van den Berge